Twee effecten tegelijk

Eerder stoppen raakt je pensioen op twee manieren, en het is belangrijk ze uit elkaar te houden:

  1. Je opbouw stopt. Vanaf je laatste werkdag komt er geen premie en geen opbouw meer bij. Elk gemist jaar drukt je latere uitkering — bij veel regelingen grofweg 1,5 tot 2 procent van je pensioengevend salaris per jaar, levenslang.
  2. Je kunt je uitkering vervroegen. De meeste regelingen laten je het ouderdomspensioen eerder laten ingaan dan de standaardleeftijd. Dat helpt de overbrugging, maar kost blijvend uitkering.

Wie eerder stopt zonder dit door te rekenen, betaalt dus twee keer: eerst het overbruggingspotje, daarna een lager pensioen. Reken beide kanten door voordat je beslist.

Pensioen vervroegen: wat kost het?

Vervroegen betekent dat dezelfde pensioenpot over méér jaren wordt uitgesmeerd. Als vuistregel kost elk jaar vervroegen ongeveer 6 tot 8 procent van je uitkering — de exacte factor verschilt per fonds. Een pensioen van €1.500 bruto per maand op je 68e wordt bij drie jaar vervroegen dus ruwweg €1.200 per maand vanaf je 65e, levenslang.

Of dat verstandig is, hangt af van je alternatief. Heb je genoeg spaargeld, dan is het vaak gunstiger de eerste jaren uit eigen zak te betalen en het pensioen op volle hoogte te laten. Is je spaargeld de beperkende factor, dan is vervroegen het gereedschap dat eerder stoppen alsnog mogelijk maakt.

De hoog-laagconstructie

Veel fondsen bieden een hoog-laagpensioen: de eerste jaren een hogere uitkering (tot een wettelijke verhouding van 100:75), daarna een lagere. Dat sluit mooi aan op eerder stoppen: hoog in de jaren vóór en vlak na je AOW, lager als de AOW en lagere lasten het overnemen. Combineer je vervroegen met hoog-laag, dan kun je verrassend dicht bij je oude netto-inkomen blijven — tegen de prijs van een blijvend lager pensioen op hoge leeftijd.

De "fiscale boete" op eerder stoppen: hoe zit dat echt?

Er zwerven veel verhalen rond over een fiscale boete op eerder stoppen. Er zijn er in werkelijkheid twee, en ze raken verschillende situaties:

1. De RVU-strafheffing (voor je werkgever)

Geeft je werkgever je een vertrekregeling die feitelijk vervroegd uittreden is, dan betaalt de werkgever daarover in principe 52 procent extra heffing. Uitzondering: in de laatste drie jaar vóór je AOW-leeftijd geldt een vrijstelling tot een maandbedrag rond het niveau van de bruto AOW (jaarlijks vastgesteld; de regeling is na 2025 verlengd). Daarom zijn bijna alle zwaarwerkregelingen precies zo opgebouwd: drie jaar, ongeveer AOW-hoogte. Meer daarover bij eerder stoppen in de zorg.

2. Revisierente bij het afkopen van lijfrente (voor jou)

Wie zijn lijfrente in één keer opneemt in plaats van als periodieke uitkering, betaalt inkomstenbelasting over het hele bedrag plus in de regel 20 procent revisierente. Een lijfrente van €50.000 afkopen kan zo meer dan de helft aan heffing kosten. Gebruik lijfrentes dus waarvoor ze bedoeld zijn: periodiek laten uitkeren, eventueel al vóór je AOW-leeftijd — dat mag wél zonder boete.

Je eigen pensioen vervroegen is geen fiscale boete: de lagere uitkering is een actuariële herrekening, geen straf. Vervroegen mag tot maximaal tien jaar vóór je AOW-leeftijd; ga je verder terug dan vijf jaar, dan kunnen aanvullende voorwaarden gelden. Je fonds rekent het voor.

Praktisch stappenplan

  1. Kijk op mijnpensioenoverzicht.nl wat je op je AOW-leeftijd krijgt bij doorwerken én wat er gebeurt als je eerder stopt.
  2. Vraag je fonds om drie offertes: ongewijzigd, vervroegd, en vervroegd met hoog-laag. Dat kost niets en maakt het gesprek concreet.
  3. Bereken je overbrugging met de calculator: eerst zonder pensioen (worst case), dan met het vervroegde pensioen als aftrekpost op je maandbehoefte.
  4. Beslis in deze volgorde: eerst je stopdatum en maandbehoefte, dan pas de pensioenknoppen. Andersom laat je je plan door de instrumenten bepalen.

Hoeveel moet je zelf overbruggen?

Reken het uit vóór je met je pensioenfonds belt — dan weet je wat je vraagt.

Naar de calculator